Image

Nu ik zo om me heen kijk naar de leeuwen en tijgers in hun hokken die liggen te ronken, en de grappige clown zijn feestneus heeft afgezet, om zich te vermaken met wat vrouwtjes die hij opgepikt had op de weg hierheen, denk ik terug aan een paar jaar geleden. De tijd dat ik nog niet zo bekend was. Was dit een betere tijd, of mag ik dankbaar zijn, dat ik mezelf hier sta te verkopen elke dag? Ik weet nog goed… >>

 

 

De grond trilt ietwat. Ik sta op, kijk naar buiten door een piepklein raampje, en zie hordes mensen zenuwachtig lopen. Met 4 dikke muren om me heen en een (zo voelt het althans) tochtgaatje, om dat kleine beetje zuurstof op te vangen, zit ik me hier te vervelen. Ach, eigenlijk is het ook mijn eigen schuld. Had ik dat maar niet moeten doen. Dan zat ik hier niet. Hoewel het eigenlijk niets voorstelde.

 

 

Met een beetje stro in de hoek waar ik op kan liggen, slijt ik me dagen in deze kille donkere cel. Vaak kijk ik naar buiten of ik wat opvang. Dat raampje zit zo hoog, dus dat hangen houd ik ook niet hele dagen vol. Zo groot ben ik niet.

Weer een trilling, gevolgd door een klap. Wat is dat toch? Ik hoor wat mensen schreeuwen. Uit het geschreeuw kan ik wat woorden opmaken. “Kijk daar!” en “Wat gebeurt er?!”. Tja, dat zou ik ook wel willen weten. Misschien weer een van die straatartiesten? Misschien het circus? Ja, dat moet het zijn. Niet ver hiervandaan treedt het Barnum en Bailey Circus op.

 

 

Plots een oorverdovend geluid. De muren beginnen te trillen. Ik kijk naar de grote deur, maar deze blijft potdicht. Ik loop naar het raam toe. Mensen krijsen en schreeuwen. Het geluid gaat door. De grond trilt. Ik spring en grijp de tralies. Met mijn armen til ik mezelf omhoog, om vervolgens met moeite door het raampje te kijken… In de verte zie ik mensen in paniek door elkaar heen rennen. Tenminste, zo leek het. Ze rennen allemaal 1 kant op. De trilling houdt aan. Een vrouw trekt haar twee kinderen mee. De kinderen huilen. Een politieagent, ik herken zijn gezicht, roept een ieder zijn kant op, om vervolgens achter het muurtje te verdwijnen.

Een gezinnetje rent de heuvel af. De knapzak die de man bij zich had, valt op de grond. Het is niet duidelijk wat eruit valt. De man trekt zijn zoontje mee, en rent zonder om te kijken door. De vrouw rent al voor hem. Het kind huilt om de inhoud van de zak.

Er is iets aan de hand, maar wat? Oorlog? Dat is er al jaren niet geweest, en er is ook geen aanleiding toe. “Heee!” schreeuw ik naar een voorbijganger. De persoon kijkt met grote ogen om, maar rent verder. Verder op de heuvels verlaten nog meer mensen hun huizen. De een nog meer bepakt en bezakt dan de ander. Zo ook een oud weduwvrouwtje, waarvan ik zeker weet dat die voor geen goud haar huisje wil verlaten, die haar man zo’n 40 jaar geleden heeft opgebouwd. Het ziet er naar uit dat zij ook met de noorderzon vertrekt.

 

 

Door al die rennende mensen waait de stof omhoog. Ik laat mezelf weer zakken, aangezien mijn armen zwaar worden. De stof waait door het raampje naar binnen. Zo nieuwsgierig als ik ben, spring ik weer op nar de tralies. Met mijn hoofd in de stof, tuur ik naar buiten. “Kan iemand mij horen?! Hallo!!!” Ik zie niets. Ik haal eens diep adem. Mijn adem stokt en begin te hoesten. Deze rook is geen stof…!

 

 

Ik draai me nog eens om, ren naar de deur. Geef een paar bonken en schoppen tegen het houtwerk, schreeuw mijn longen uit mijn lijf om hulp, maar er gebeurt niets. Het lijkt erop dat de bewakers weg zijn. De rook bedekt de hele cel. Gitzwarte rook. Het doet pijn aan mijn ogen. Doodskreten hoor ik buiten, kinderen hoor ik huilen, mannen schreeuwen om hulp. Het is gewoon eng om te horen. Ik zit hier, ik kan niets doen, ik kan niets zien, ik kan niet helpen, niets…

 

 

 

De grond gaat harder trillen, evenals de grote, stenen muren waarin ik mij bevind. Ik probeer nog een laatste keer door de tralies te kijken. Door de gitzwarte rook zie ik weinig. Links van het gebouw hoor ik mensen krijsen van de pijn. Dit is van korte duur. Recht voor mij zie gestaltes bewegen, maar ik zie weinig. Ik zak weer langs de muur naar beneden, hoestend en kuchend. Ik wrijf in mijn ogen. Ik zie niets. De enige lichtbron is afgedekt met zwarte rook. Ik zoek de wanden op, waar het stro ligt. Tastend in het donker, op zoek naar de muur, hoor in de hoek achter mij gekraak. Ik bereik de muur, laat mezelf zakken naar de grond, richting het stro en maak mezelf zo klein mogelijk. Ik ben nog nooit zo bang geweest.

Verderop hoor ik gebouwen kraken en zelfs instorten. Het gekrijs wordt steeds minder.

 

 

 

Plots spring ik op. Het stro vliegt in brand. Ik strompel uit angst naar de andere muur. Ik struikel en val op de grond, op de plek waar ongeveer het raam zit. Ik haal mijn voeten open aan een steen. Een gloeiend hete steen. Alsof het gebouw instort, valt het dak langzaamaan naar beneden. Overal om mijn heen kraakt het. Pijnscheuten schieten door mijn rug. Het vuur breidt zich uit. Het voelt alsof het gloeiend heet water regent. Ik voel de haren op mijn arm wegschroeien. Hoestend probeer ik alles te ontwijken en van me af te schudden. Ik schreeuw het uit van de pijn, buiten hoor ik nog een enkele krijs.

 

 

 

Mijn voeten staan in de brand. Al springend en krabbend aan de muur, zoek ik het raampje. Ik spring op, val op de grond in een gloeiendhete substantie. Deze pijn heb ik nog nooit gevoeld. Het lijkt alsof ik mijn bewustzijn verlies. Ik krijs het uit, krabbel overeind, strompel richting de muur, werk mezelf op wonderbaarlijke wijze omhoog richting het raampje en houdt mijzelf met al mijn krachten vast. Alles doet pijn. De pijn is ondraaglijk, maar ik moet volhouden. Kramp in mijn handen en benen, brandwonden op mijn voeten, handen, rug, buik en gezicht, brandende ogen door de vuurhete rook. Ook mijn longen doen pijn bij elke adem. Ik schreeuw het uit. Zwart voor mijn ogen, geluidloos. Geen geluid meer. 28.000 mensen. Muisstil…

Plots word ik wakker. Ik til mijn hoofd op. Kijk nog eens naar de leeuwen. Naar de grote tent recht voor me, naar de camper van de clown. Alle lichten uit. Volle maan en een heldere nacht. Ik besef me nog eens, dat ik het maar goed heb, ook al ben ik de hoofdattractie!

 

 

 

Louis-Auguste Cyparis, Martinique 8 mei 1902.

Gevangene van het lot.